Soms treedt er bij mij het verschijnsel op van vermoeidheid en irritatie, bij het voor de zoveelste keer moeten benoemen van de leugens en het machtsmisbruik van Bureau Jeugdzorg. Niet alleen is het onfris om iedere dag van je leven te besteden aan dit onrecht, door de onvermijdelijke consequentie dat er veel schoonheid, liefde en hoopgevende initiatieven van goede mensen aan je gezichtsveld worden onttrokken, maar zelfs binnen de grenzen van het onderwerp ‘jeugdzorg’ is het wel eens de eenzijdigheid die me benauwd.

Zijn er dan helemaal geen goede gezinsvoogden? Azen ze echt alleen maar op kinderen? Leven ze voor geen ander doel dan gezinnen terroriseren en uit elkaar rukken? Nee, dat is niet het standaard beleid en het is ook niet een gedrag waar de beginnende gezinsvoogd mee van start gaat, aan het begin van zijn/haar jeugdzorgloopbaan. In een discussieprogramma van een paar dagen terug, sprak een Gezinshuis-ouder die werkte met criminele jongeren. Hij had het erover dat het nodig is om meer duidelijkheid te scheppen naar jongeren toe (grenzen stellen) en niet alleen maar op de ‘softe toer’ te blijven. Hij vertelde dat hij best een aantal gezinsvoogden bij jeugdzorg kende, die wel professioneel waren en die wel durfden ‘door te pakken’ (iets in die geest) wat klaarblijkelijk over de hele linie niet gebeurt in deze sector.

Hoewel ik mijn negatieve standpunt over jeugdzorg reeds bepaald heb, kon ik me er toch niet aan onttrekken na te denken over hoe dat er dan uitziet; de professionele en betrokken gezinsvoogd, die het echt goed met jongeren voor heeft. En volgend daaruit, hoe vervelend het wel niet moet zijn om al die negatieve berichtgeving over jeugdzorg te lezen in kranten en op het internet, als je werkelijk met hart en ziel probeert gezinnen te helpen. Er zijn tenslotte toch die 27% jeugdzorgcliënten die wel verbetering ervaren door bemoeienis van BJZ.

Toevalstreffer

Ik ben er laatst zelf nog eentje tegen gekomen. Nota bene mijn ex buurman, die tot mijn grote ontzetting vertelde dat hij van plan was om jeugdzorg nog een keer te bellen, omdat de vorige keer hem goed was bevallen! Mijn vrouw en ik hebben hem voor de zekerheid natuurlijk ook maar even attent gemaakt op Jeugdzorg Dark horse, met de suggestie dat deze BJz-medewerker een toevalstreffer kan zijn geweest. Aan de andere kant is het ook niet ondenkbaar, dat wanneer iemand met een positieve verwachting Bureau Jeugdzorg binnenloopt, hij door zijn open houding de jeugdzorgmedewerker het gevoel geeft nuttig en belangrijk te zijn, waardoor er per abuis een heel werkbare relatie ontstaat. Die dingen komen natuurlijk voor.

Maar waarom hebben de meeste mensen die jeugdzorg uit eigen ervaring kennen dan zulke negatieve associaties bij deze instantie? Ik houdt het er toch maar op dat de opzettelijk vervaagde grens tussen hulpverlening en bestraffing, waardoor de therapeutische openheid van de cliënt wordt misbruikt in het justitiële kader, de wortel is waar al het wantrouwen mee verbonden is. Deze vage grens, die bedoeld is om kindermishandeling in een zo vroeg mogelijk stadium op te sporen, zorgt er voor dat de hulpverlener met twee petten op naar de cliënt kijkt en dat geeft een onveilig gevoel. Kijkt de BJz-medewerker met de ogen van VWS (helpen) of met de ogen van Justitie (je kind afpakken)? De jeugdbeschermer/ hulpverlener zal als een blije geit roepen ‘een beetje van allebei’, maar die beseft niet hoe dat voelt voor degene aan de andere kant van de streep.

De realiteit van Jeugdzorg

Deze dubbelzinnigheid verkracht het vertrouwen. Je kunt ook niet je vrouw ‘een beetje bedriegen’ en ‘een beetje trouw’ zijn. Je kunt niet je vriend een beetje steunen en hem een beetje verraden. Je wilt dus ook niet met een hulpvraag bij een instantie komen, als de mogelijkheid bestaat dat die instantie de hulpvraag omkeert in een beschuldiging. Je gaat ook niet naar de psycholoog om therapeutisch advies, als die je met één telefoontje kan laten opsluiten in een gesticht.

Je verwacht dat je, hoewel je een hulpvraag hebt, over het geheel genomen als mens gerespecteerd wordt in je autonomie. Je hebt hulp nodig (voor een deel van je leven) maar je bent niet gek. Bij Bureau Jeugdzorg gelden echter heel andere regels. Of je autonomie als mens zal worden gerespecteerd is altijd de vraag (vaak wordt ouders psychische stoornissen verweten zonder onderzoek) en het kind dat gebaat is bij hulp en ondersteuning (voor zijn ouders), kan opeens een object worden dat op de lijst komt voor een onteigeningsprocedure. Want dat is de realiteit van jeugdzorg. Het gaat bij een normale therapeut om de vraag hoe je als cliënt dingen beleeft en die beleving strookt niet altijd met de werkelijkheid. De therapeut probeert jouw beleving van dingen beter te laten aansluiten op de werkelijkheid waarin je leeft, zodat je er beter tegen opgewassen bent en ook meer kansen ziet voor jezelf om er invloed op uit te oefenen. Bij jeugdzorg is het andersom. Zij hebben een bepaalde beleving en die staat vaak ver af van de feitelijke situatie. Nu zien ze het als hun taak, om de feiten zodanig om te buigen dat ze beter passen bij hun eigen beleving. Hierdoor zijn ze beter tegen de protesterende cliënt opgewassen en het geeft ze bij de kinderrechter veel meer mogelijkheden om invloed uit te oefenen.

Protesterende ouders zijn ‘moeilijke mensen’

In hoeveel van de gevallen is de welwillende houding van jeugdzorg, die zo begaan is met kwetsbare kinderen niet een schijnvertoning? Mensen die het echt goed met kinderen voor hebben (en hun gezinnen) houden het bij jeugdzorg meestal niet zo lang vol. Een belangrijke klacht van BJz-medewerkers was bijvoorbeeld dat er door het management niet gekeken wordt naar case-zwaarte. Dat betekent dat er voor de lichte gevallen net zo veel (weinig) tijd beschikbaar is als voor gezinnen met een ingewikkelde problematiek. Hierdoor zijn inschattingsfouten haast niet te vermijden en we weten allemaal hoe goed jeugdzorg kan omgaan met haar eigen fouten. Is het oordeel over een gezin eenmaal geveld, op grond van feiten of verzinsels dan zullen ze net zo lang hun zin doordrijven tot ze de hele boel onder hun controle hebben. Protesterende ouders zijn per definitie ‘moeilijke mensen’ die hun kinderen in gevaar brengen door niet met het juridiserende monster te willen ‘samenwerken’.

Een mooi voorbeeld van de valsheid van jeugdzorg, was het optreden van Sprokkereef, Bestuursvoorzitter van Bureau Jeugdzorg Utrecht, in een programma over de klachten van pleegouders (over jeugdzorg). Hij presteerde het om in die uitzending wel twee maal nadrukkelijk te verklaren dat kinderen het beste af zijn bij hun eigen ouders en dat daarom de gezinsvoogd wel eens tegen de wensen van pleegouders moet ingaan. Het gaat immers toch om het ‘belang van het kind’. Nu is het leuke dat ouders van wie het kind is afgenomen, precies hetzelfde te horen krijgen, maar dan in omgekeerde richting. ‘Het gaat allemaal om het belang van het kind’ wordt hen gezegd en in de meeste gevallen waarin jeugdzorg ingrijpt, zijn de kinderen ‘veel beter af in het veilige en pedagogisch verantwoorde pleeggezin’. Het is maar net van welke kant de klachten komen, hoe jeugdzorg haar keuze bepaald over de vraag waar kinderen het beste af zijn. Klagen de biologische ouders, dan zijn pleeggezinnen veel beter. Klagen de pleegouders over de tegenwerking van jeugdzorg en het beschadigen van het belang van het (uit huis geplaatste) kind, dan heeft terugplaatsing bij de eigen ouders opeens de voorkeur. Erg geloofwaardig is dat niet, maar per crisis neemt jeugdzorg de voor haar meest voordelige positie in.

Schokkende willekeurigheid

Als de rechter oordeelt in het voordeel van de biologische ouders, kan jeugdzorg het oordeel van de rechter naast zich neerleggen (want als pedagogen weten zij het toch beter), maar als jeugdzorg wordt aangevallen op haar ondeskundigheid en onjuiste maatregelen, verschuilt ze zich achter het oordeel van diezelfde kinderrechter die ‘het nu eenmaal heeft besloten”. Een schokkend voorbeeld van die willekeurigheid was de zaak van het uit huis geplaatste kind dat in het pleeggezin werd misbruikt. Toen ten lange leste dit misbruik toch bekend raakte, werd het kind in paniek door jeugdzorg teruggeplaatst bij de biologische ouders. Zo ‘gevaarlijk’ waren de biologische ouders dus en zo veilig was het pleeggezin!

Een ander belangrijk punt die de geloofwaardigheid van jeugdzorg ondermijnt, is de eenzijdige nadruk op de preventie en het ontbreken van evaluatie bij het eigen handelen. Het onterecht uit huis plaatsen van kinderen wordt stelselmatig verdedigd met ‘zorgen om de veiligheid’, waarbij het criterium is dat je beter een kind uit huis kan plaatsen waar naderhand niets mee aan de hand bleek te zijn, dan dat je een kind thuis laat in een twijfelachtige situatie, om later te zien gebeuren dat het kind zwaar wordt mishandeld of zelfs gedood. Dat zou in principe een juiste gedachte zijn, ware het niet dat op de eerste plaats een uithuisplaatsing zelf niet zonder (ernstig) gevaar is en ten tweede dat achteraf in veel gevallen helemaal nooit duidelijk wordt dat de uithuisplaatsing onterecht was, omdat jeugdzorg in die gevallen de aandacht vaak snel weet af te leiden naar ’andere zorgen’ om het kind. Ze gaan futiliteiten uitvergroten, of verzinsels in de strijd gooien om te maskeren dat er onjuist is gehandeld. Een onderzoek achteraf binnen een redelijke termijn, naar de noodzaak van de uithuisplaatsing op basis van acute zorg komt er vaak niet, want er zijn genoeg andere mogelijkheden om een kind vast te houden, als men er in eerste instantie flink naast zat.

Protocollen en signaleringsmethoden

Volgens mij spelen er voortdurend twee principes die in de jeugdzorg tegen elkaar inwerken en waar ouders en kinderen de dupe van worden. Aan de ene kant werken er bij jeugdzorg gezinsvoogden die graag een goede band met hun cliënt hebben en die (ook door jeugdigheid en te weinig levenservaring) bepaalde problemen onderschatten of niet durven door te pakken bij concrete bedreiging voor een kind. En aan de andere kant is er de groep die met alle mogelijke middelen de handelingsverlegenheid van hun collega’s proberen te overwinnen, door ze te overladen met protocollen en signaleringsmethoden en door om de haverklap te roepen dat er in iedere klas twee, tot drie mishandelde kinderen zijn. Gevolg hiervan is dat de meer menselijke hulpverleners het gevoel hebben dat ze tekort schieten en geweldig gaan overcompenseren (‘zo is het mij gezegd, zo moet ik het doen’) terwijl de havikken in de sector zichzelf iedere dag kunnen opgeilen met weer de zoveelste opsporings- of signaleringsmethode, wetende dat ze het politiek klimaat mee hebben. En wat de oorspronkelijke bedoeling was van de hulpverlener, doet er ook eigenlijk niet zoveel meer toe als de monsterlijke machine eenmaal in beweging is. Als er te weinig ‘checks and balances’ zijn ingebouwd (ze spreken er wel over, maar waar zijn ze dan?) zullen we nooit weten of de goede bedoelingen hun doel hebben bereikt.

De filosoof Henk Oosterling zei het in en tv-debat heel mooi: ”Relaties worden uiteindelijk bevraagd op hun verantwoordelijkheid om grenzen te stellen aan hun bestaan.” Hij bedoelde daarmee dat er in onze samenleving een chronisch gebrek is aan het vermogen van mensen om dingen nog in de juiste verhoudingen te zien. Voornamelijk omdat we in een virtuele wereld zijn gaan leven en geen fysiek contact meer hebben met de werkelijkheid.

Waar is de proportionaliteit?

Jongeren weten vaak niet meer waar iets vandaan komt, wie het gemaakt heeft, hoeveel moeite en toewijding ergens in gestoken is en hoe je iets kunt opbouwen, cultiveren en onderhouden voor een uiteindelijk mooi resultaat. Dingen bestaan niet zomaar, maar kennen een hele ontwikkelingsweg en daar zijn werkelijk bestaande mensen verantwoordelijk voor. Als kinderen dat niet vroeg wordt bijgebracht is zijn visie, dan voelen ze zich ook niet verbonden met de hen omringende wereld. En als ze zelf niet op verschillende manier deelnemen aan dat proces en de verschillende fazen ervan leren kennen, kunnen ze ook nooit goed bepalen wat ze willen en waar ze in hun leven invulling aan willen geven. Het gaat om het daadwerkelijke contact, om het ervaren van grenzen. Dat geeft het vermogen om dingen in de juiste verhouding te zien.

En waar is de proportionaliteit, dat zien van de juiste verhoudingen, binnen de jeugdzorg? Zorgen om het kind staan niet in verhouding tot wat dan ook. Hysterisch wordt door de ene jeugdzorgwerker meteen gedacht aan het allerergste scenario en de andere vindt dat er in een soortgelijke situatie ‘niets aan de hand’ is. ‘Wetenschappelijk getoetste’ instrumenten als het ‘niet-pluisgevoel’, ‘onderbuikgevoel’ en het ‘vermoeden’ geven vaak de doorslag. Nog belangrijker dan de theoretische zorgen, is het ontbreken van concrete toetsing van wat men denkt te hebben waargenomen. De juridische macht van jeugdzorg, door de suggestie van professionaliteit, voorkomt dat dit soort onderzoeken plaatst vinden.

‘Geen gelijk, dan toch gelijk’. Behalve wanneer er eens een wakkere rechter tussen zit, die het doorheeft wanneer jeugdzorg het wel heel bont maakt met haar ongefundeerde beschuldigingen. Bijzonder storend is dat de macht van jeugdzorg ertoe leidt dat de statistieken vervalst raken, doordat men met opgelegde hulptrajecten (‘drang’: anders kindje kwijt) het lijkt alsof er in al die gevallen ‘iets aan de hand was’ enkel en alleen omdat de ouders met de chantage hebben ingestemd. Het accepteren van het hulptraject, om te voorkomen dat het kind uit huis wordt geplaatst, levert statistisch het geven op dat er iets aan de hand was, ook als het geheel en al op ingebeelde zorgen berustte. Zo kun je politici wel voor je karretje spannen.

Niet veel

Dit alles gezegd hebbende, kom ik weer tot mijn oorspronkelijke vraag ‘Hoeveel sympathie zou ik moeten hebben voor de gezinsvoogden of AMK-medewerkers die het wél goed bedoelen?’ Antwoord: Niet veel, want dat ze zich met hart en ziel inzetten voor ouders en kinderen, laat onverlet dat de kans te groot is voor mensen die bij jeugdzorg aankloppen met een hulpvraag of die er onvrijwillig mee te maken krijgen via een melding, dat ze de verkeerde tegen het lijf lopen. Zo’n onvolwassen stumper die doet wat hem/haar opgedragen wordt zonder rekening te houden met de concrete situatie , of iemand die bij therapeutische weerstand van de cliënt de verleiding niet kan weerstaan om misbruik te maken van de eigen positie. (Het niet begrijpen van de dynamiek in het hulpverleningsproces, of het niet hoeven te begrijpen juist omdat de hulpvraag ook geherformuleerd kan worden tot een risico-vraag!)

Het blijft voor mij onduidelijk waarom er niet een striktere scheiding komt tussen hulpverlening en mishandelingpreventie, zodat de hulpvrager niet langer gecriminaliseerd kan worden en de mishandelaar niet teveel sympathie krijgt als zijnde ‘patiënt’. Als het zo gegroeid is dat AMK/BJz veel van de taken van de Raad voor de Kinderbescherming hebben overgenomen, waardoor deze laatste haar controlerende taak verliest, schaf haar dan niet af. Breng de Raad terug naar haar kerntaak van mishandeling opsporen en laat jeugdzorg meer hulp bieden. Dan is er en een betere scheiding tussen aan de ene kant crimineel gedrag van ouders en aan de andere kant opvoedingsvragen (+ kindeigen problematiek) en kan er op den duur meer vertrouwen komen in de hulpverlening, terwijl het voor echt bedreigde kinderen veiliger wordt.

Schijnvertoning

Het inbouwen van een zelfcontrolerende functie binnen een nieuwe jeugdzorg is natuurlijk een schijnvertoning. Je kunt de jeugdbeschermers net zo goed meteen een blanco check geven…Maar de overmatige subjectiviteit bij het beschermen van jeugdigen, die het onvermijdelijke gevolg is van de weigering van BJz en de Raad om de hypothetische ontwikkelingsbedreiging materieel te toetsen, maken deze scheiding natuurlijk onmogelijk. Ze zijn beiden even subjectief en ‘schuld’ of ‘onschuld’ van ouders zijn in de praktijk vaak beiden niet gefundeerd.

Het is in het licht van de criminalisering van ouders opmerkelijk te noemen, dat bij het afwijzen van verzoeken om goed diagnostisch onderzoek te doen bij het kind, vaak gebrekkige financiën als motief genoemd worden door BJz. Terwijl datzelfde BJz wel het voorstel doet om standaard ouders psychiatrisch te laten onderzoeken, bij mishandelingvermoeden. Want dat kost natuurlijk geen geld! Het patroon dat we hierbij ontwaren is dat er om meer kinderen binnen te harken, kosten noch moeite gespaard worden, maar bij het hulp bieden aan kinderen krijgen we categorisch te maken met wachtlijsten. (Die ze weer kunnen gebruiken om meer geld uit politici te persen)

Weigering om eigen ongelijk toe te geven

Nee, ik heb geen sympathie voor jeugdzorg, ook al gaan er wel eens dingen goed. Een goede chirurg is ook niet iemand die ‘wel eens’ iemand goed opereert. Een goede loodgieter installeert ook niet ‘zo af een toe’ een goede leiding. De bakker heeft niet ook een paar goede broden, tussen de aangebrande rotzooi. Er gaat teveel mis in de jeugdzorg om zich te mogen voorstaan op de professionaliteit, waar ze vaker hoog over opgeven uit zelfbescherming, dan vanwege de feitelijke gesteldheid ervan. Zeer ergerlijk aan BJz is de pertinente weigering om het eigen ongelijk toe te geven en de veroorzaakte schade te herstellen. Want dan, meent jeugdzorg, zal de wereld vergaan.

Dan verliest zij al haar geloofwaardigheid. Niet tegenover haar cliëntenbestand, maar tegenover de buitenwereld die nog niet de toevallige pech heeft gehad in het AMK-vizier te zijn gekomen. Bij de eigen cliënten vindt BJz vanzelfsprekend geen krediet, maar dat is ook niet nodig. Het is de kunst om die ‘bozige mensen’ voor hen die nog niet met jeugdzorg bekend zijn, af te schilderen als een beetje instabiele rare mensen, die (helaas) niet weten wat voor hun eigen kind het beste is. Dat zulke ouders ook bestaan, maakt het makkelijk om de normale ouders die serieuze klachten hebben onschadelijk te maken, door ze met de ‘psychiatrische gevallen’ te associëren. Dat is de lafheid en de smerigheid van jeugdzorg.

Hoeveel goede bedoelingen sommige van hen ook schijnen te hebben, het blijft een feit dat dit soort praktijken maar doorgaan. Niet alleen komen er iedere keer weer van die ten hemel schreiende gevallen bij, ook de oude zaken worden maar niet tot een oplossing gebracht. En dat is de enige weg om werkelijk vooruit te komen. Niet door nog een keer te gaan nadenken over hoe het jeugdzorg imago te verbeteren is in de media, maar door schade te herstellen. Door te stoppen met de vlucht naar voren. Door rekenschap af te leggen over wat je fout hebt gedaan en niet te blijven mekkeren dat je het ‘ook nooit goed doet’ net alsof de eigen psychische gesteldheid belangrijker is dan het resultaat van je handelingen. Bij mijn weten krijgen studenten nog steeds geen diploma’s voor goede bedoelingen en bij de meeste bedrijven krijgen werknemers er ook niet voor betaald.

http://www.stopdebankiers.nl/de-goede-bedoelingen-van-jeugdzorg-2/